Meer
dan een eeuw op de weg.
1895:
Oprichting
1930: Eerste
vrachtauto 1935: 3x per
week naar Groningen.
1946:1e Chevrolet 1965: 4
vrachtauto's
1999: Naar
Scheemda
2002: Op het
internet
Transportbedrijf Lesterhuis kan putten uit een meer
dan 100-jarige
ervaring. Reeds in de vorige eeuw onderhield de grootvader van de
huidige directie al transportdiensten. Uiteraard met echte
paardenkrachten, totdat in het begin van de jaren
dertig de eerste
vrachtauto aangeschaft werd. Eeuwenlang waren
de wegen in Groningen, evenals in de rest van Nederland, slecht
begaanbaar. Het waren klei- of zandwegen, die een deel van het jaar
herschapen werden in bijna onberijdbare modderpoelen. Alleen in de
dorpen en steden had men een bestrating in de vorm van keien, de z.g.
kinderhoofdjes. Pas vanaf de dertiger jaren van de
negentiende eeuw
werden er "kunstwegen" aangelegd. Dat waren verharde macadam- of
grindwegen, die een grote verbetering bleken. Zo kregen in de vijftiger
jaren van de vorige eeuw Rasquert, Winsum, Veendam, Termunten,
Ommelanderwijk, Marum, Leek, Uithuizen en Woldwijk hun kunstwegen.
Andere plaatsen waren hen voor gegaan, de rest volgde later. Pas in de
tachtiger jaren was het net van verharde wegen in de provincie
Groningen geheel voltooid. De keibestrating in dorpen als Leens, Wehe
en Loppersum werd in de zestiger jaren vervangen door bestrating van
klinkers. In Ulrum werden de oude keien naar Zoutkamp
getransporteerd,
waar in die tijd nog geen enkele bestrating bestond. Jeugdherinneringen Wie in die tijd als kind met de boderijder mee
mocht naar de Stad, was een geluksvogel, dat is zeker. In tegenstelling
tot zijn vriendjes kwam hij in de grote wereld en als hij weer thuis
was, kon hij honderduit vertellen over wat hij daar allemaal gezien en
beleefd had. Reurt C. Slim uit Assen weet zich nog heel goed
zijn eerste reis naar de Stad te herinneren, met de boderijder
Lesterhuis uit Meeden. Het zal in het jaar 1930 of 1931 zijn geweest en
Reurt was toen een jaar of acht. Zijn ouders hadden een
kruidenierswinkel in het Egypteneinde in Veendam. Heel wat artikelen
moesten in die tijd uit Groningen komen: koffie en thee van Tiktak,
Smith en Kahrels, kaas van Fleurke, pruimtabak van Gruno, wijn en
likeuren van Hooghoudt en diverse kruidenierswaren van Gebr.
D.Schuitema. Voor kruidenier Slim nam boderijder Lesterhuis
hiervan het grootste deel voor zijn rekening. Driemaal in de week ging
hij naar Groningen met zijn vrachtauto, die bestuurd werd door zoon
Menno, een robuuste kerel van zo'n jaar of vijfentwintig. In de
zomervakantie (drie weken en een dag) viel Reurt het grote voorrecht te
beurt, dat hij een dag met boderijder Lesterhuis mee mocht naar de
Stad. Van moeder kreeg hij een pakje brood mee. Ze reden
eerst rond door Veendam en vervolgens ging het via Muntendam,
Zuidbroek, Sappemeer en Hoogezand naar Groningen. Op de vismarkt, dicht
bij de korenbeurs had Lesterhuis zijn standplek. Wat een
drukte was het
daar! De hele vismarkt stond vol met wagens en bakfietsen
en handkarren reden met zakken en dozen af en aan om hun goederen aan
de boderijders af te leveren. De kleine Reurt keek
zijn ogen uit, want
hij was nog nooit eerder in de Stad geweest. Menno moest nog bij een
aantal bedrijven in de Stad langs en Reurt mocht mee, terwijl
Lesterhuis Sr. op de Vismarkt bleef om pakjes in ontvangst te
nemen.
Bij het station was een hele oploop van mensen en Menno zette de auto
stil: hij wou eens kijken, wat daar te doen was. De kleine Reurt, die
in de laadbak zat, klom er ook uit, zonder dat Menno het in de gaten
had. Hij ging ook kijken. Er moest een gevangene uit de trein in de
boevenwagen. Menno had het wel gauw bekeken, stapte weer in en reed
weg. Reurt zag de auto wegrijden en holde er op zijn korte beentjes
achteraan, maar de auto draaide de Herebrug op en verdween uit het
gezicht. Het huilen stond het kleine kereltje nader dan het lachen.
Gelukkig wist hij, dat hij op de Vismarkt moest zijn. Een voorbijganger
wees hem de weg. Maar op de Vismarkt was Lesterhuis Sr. in geen velden
of wegen te bekennen en de kleine jongen ging op de stoep van de
Korenbeurs zitten uitrusten, tot hij Menno met de auto zag komen
aanrijden. Hij holde er heen. Menno stapte uit de wagen, ging naar zijn
vader toe en deelde mee:"'k Bin jong kwiet".-"Dat luks toch!" riep
vader Lesterhuis en stak de armen in de lucht. Maar gelukkig, daar kwam
Ruert al aanrennen, tussen de bodewagens door. Die
vakantiedag met
boderijder Lesterhuis was voor Reurt Slim een dag om nooit te vergeten. 
Home |
|---|
|